Met de akkervogelteller het land in

Een verrekijker, twee apps en vooral goed kijken en luisteren. Meer heeft Jan Braaksma eigenlijk niet nodig wanneer hij het land in trekt om akkervogels te tellen. Vijf keer per jaar loopt hij zijn vaste telgebieden bij Sint-Jacobiparochie af. Sinds hij met de tellingen begon, is hij zelf ook anders naar het landschap gaan kijken.

“De oren goed open en de ogen goed open.” Jan Braaksma vat het werk als akkervogelteller eenvoudig samen. Met een verrekijker om zijn nek loopt hij langs een kruidenrijke akkerrand bij Sint-Jacobiparochie. Aan de andere kant ligt een sloot. De wind ruist door de planten terwijl Braaksma het land afspeurt. Af en toe pakt hij zijn telefoon erbij.

Daarop staan twee apps die hem helpen bij het tellen. De eerste is van Sovon, de landelijke organisatie voor vogelonderzoek. Iedere vogel die hij ziet of hoort, kan hij daarin registreren. Daarbij voert hij bijvoorbeeld in of het om een volwassen vogel of jong gaat en of er aanwijzingen zijn dat een vogel broedt.

De tweede app is Merlin Bird ID. Die kan vogelgeluiden herkennen en komt vooral van pas als Braaksma twijfelt. Blind vertrouwen doet hij er niet op. “Een merel kan wel twintig, dertig verschillende vogels nadoen. Dus je moet goed opletten.” De app is een hulpmiddel, benadrukt hij. Uiteindelijk moet hij zelf bepalen welke vogel hij daadwerkelijk heeft waargenomen.
 


Bredere blik

Dat is kennis die Braaksma het afgelopen jaar heeft opgebouwd. Sinds zijn pensioen heeft hij tijd om vaker het land in te gaan. Een bevriende boer bracht hem op het idee om akkervogels te gaan tellen voor Waadrâne. Dat leek Braaksma wel wat. Interesse in de natuur had hij altijd al, maar vooral vanuit de jacht.

Ganzen, eenden, hazen en reeën: die kende hij wel. Maar vraag hem destijds naar een veldleeuwerik of gele kwikstaart en het werd lastiger. “Daar wist ik veel minder van. Ik vond het eigenlijk schandalig dat ik daar zo weinig van wist.” Hij besloot zich erin te verdiepen en volgde een digitale cursus via Sovon over vogels die in akkergebieden voorkomen. Daarna ging hij met een ervaren teller op pad om te leren hoe een telling in de praktijk werkt en welke hulpmiddelen hij nodig heeft.

Inmiddels heeft hij honderden waarnemingen ingevoerd. Tijdens ons bezoek staat de teller in de Sovon-app op 23 tellingen en 457 waarnemingen. “Op een gegeven moment zie je ook veel meer.” Tijdens het jagen lag zijn aandacht vooral bij het wild waarop hij op dat moment gefocust was. Nu vallen juist de kleinere vogels hem op.

Vooral de eerste waarnemingen van het jaar blijven hem bij. “De eerste veldleeuwerik, dat vind ik heel mooi. Vroeger was ik daar helemaal niet op gefocust.” Hetzelfde geldt voor een gele kwikstaart die ineens op een zonnebloem zit. “Dan roepen we: de eerste van het jaar!”
 


Vijf keer tellen

Een telling is niet een kwestie van vanaf de rand van het perceel even door de verrekijker kijken. Braaksma trekt het gebied in en loopt zijn route heen en terug. Daar is hij een hele ochtend mee bezig. Vaak begint hij rond half negen en is hij rond half één of één uur klaar.

In mei, juni en juli telt hij zijn gebieden in totaal vijf keer. Wanneer hij precies gaat, kan hij deels zelf bepalen, maar tussen twee tellingen moeten minimaal tien dagen zitten. De tellingen moeten volgens vaste perioden worden uitgevoerd. Zo worden de gegevens niet vertekend doordat een teller bijvoorbeeld een aantal dagen achter elkaar hetzelfde gebied bezoekt.

Vaak gaat Braaksma samen met een kameraad op pad, die zelf een ander telgebied heeft. “Dat is ook wel gezellig.” Bovendien vullen de twee elkaar aan. “Hij weet wat meer van de kleine vogels en ik weet wat meer van de grotere vogels. Met z'n tweeën zie je toch weer meer.”

Zelf is Braaksma voorzichtig met conclusies. “Na één jaar tellen kan ik natuurlijk niet zeggen: kijk, wat is het vooruitgegaan. Daar is te weinig data voor.” Toch ziet hij tijdens zijn rondes dingen waar hij enthousiast van wordt. De veldleeuwerik bijvoorbeeld. “Die was hier niet zo aanwezig meer in dit gebied.” Inmiddels komt hij de vogel tijdens zijn tellingen vaker tegen. Of dat rechtstreeks het gevolg is van de maatregelen die op het land worden genomen, kan hij niet zeggen. “Ik ben geen wetenschapper. Ik kan wel wat denken, maar dat wil niet zeggen dat het zo is.”


Voedsel en beschutting

De kruidenrijke akkerrand waar Braaksma langs loopt, is onderdeel van het akkervogelbeheer van Waadrâne. Met verschillende beheerpakketten werkt het collectief aan geschikt broed- en foerageergebied voor akkervogels. De bloemen en kruiden in zo'n rand trekken insecten aan, die voedsel vormen voor vogels.

Vooral jonge vogels hebben volgens Braaksma veel insecten nodig. Hij wijst ook op de sloot naast het perceel. “Water is altijd belangrijk.” Welke omstandigheden een vogel nodig heeft, verschilt per soort. Eenden hebben bijvoorbeeld weer andere vegetatie nodig dan akkervogels.

Daarbij heeft hij ook contact met de boer op wiens grond hij loopt. Als hij een nieuw telgebied krijgt, belt hij meestal eerst even. “Dan stel ik me voor en zeg ik: als je een figuur in het land ziet lopen, dan ben ik het.”

Dat contact is ook praktisch. Voor het agrarisch natuurbeheer gelden afspraken over het beheer van het land. Een boer kan Braaksma bijvoorbeeld vragen of hij al heeft geteld en of hij bijzonderheden heeft gezien.

Wat Braaksma tijdens zijn tellingen vastlegt, komt via Sovon uiteindelijk weer bij Waadrâne terecht. Door die gegevens over langere tijd te verzamelen, kan de ontwikkeling van de vogelstand in de gebieden worden gevolgd. “Zonder de teller weet je ook niet of het goed gaat.”

Tekst en foto's: Tekstbureau Binnita
 
Doe mee aan agrarisch natuurbeheer

Ontdek wat u als agrariër kunt doen voor natuur, biodiversiteit, water en klimaat binnen Waadrâne.